Vaak wordt in overeenkomsten tussen producenten/leveranciers en distributeurs van producten of diensten (distributieovereenkomsten) exclusieve afnamebedingen overeengekomen. Men spreekt van exclusieve afname, indien de distributeur verplicht is 80% of meer van het contractproduct (of dienst) (of substituten hiervan) bij de leverancier in te kopen (dan wel bij een door de leverancier aangewezen derde).

Exclusieve afnamebedingen zijn verboden indien deze leiden tot een merkbare beperking van de concurrentie op de relevante markt. Het gevolg is dan dat het exclusief afnamebeding nietig is. In sommige gevallen kan dit zelfs leiden tot nietigheid van de hele distributieovereenkomst!

Hoofdregel

Hoofdregel is dat een exclusieve afnamebepaling in een distributieovereenkomst is toegestaan wanneer de distributieovereenkomst wordt afgesloten voor een maximale duur van 5 jaar, de leverancier en de distributeur een marktaandeel hebben van maximaal 30 % en er geen hardcore beperkingen (zoals prijsafspraken en/of marktverdelingsafspraken) in de distributieovereenkomst zijn opgenomen. Let er hierbij op dat er geen automatische verlengingsclausule mag zijn opgenomen in de distributieovereenkomst. Veel soorten distributieovereenkomsten, bijv. franchiseovereenkomsten, zijn dan ook (niet voor niets) gemodelleerd aan de hand van deze hoofdregel die is af te leiden uit EU Verordening 330/2010 (EU Vo Verticalen) welke rechtstreeks van toepassing is in Nederland.

Ook toegestaan

Daarnaast zijn exclusieve afnamebedingen (ook) toegestaan als ze:

  • De concurrentie op de relevante markt niet merkbaar beperken, of;
  • De exclusieve afname de productie of distributie verbeterd, of bijdraagt aan technologische of economische ontwikkeling; de beperking noodzakelijk is (om die verbeteringen te realiseren), de verbetering/ontwikkeling ten bate komt van de gebruikers en er voldoende restconcurrentie overblijft, of;
  • De bagatel vrijstelling van toepassing is: er mogen bij de distributieovereenkomst niet meer dan 8 ondernemingen betrokken zijn en de omzet van de bij de distributieovereenkomsten betrokken ondernemingen (cumulatief) is niet hoger dan EUR 5,5 miljoen (als het om goederen gaat) c.q. EUR 1,1 miljoen (als het om diensten gaat), of het marktaandeel van leverancier en distributeur is maximaal 10 % (mits de overeenkomst geen interstatelijk effect heeft).

In beginsel heeft een exclusief afnamebeding niet de strekking om de mededinging te beperken. Dit betekent dat goed onderzocht moet worden of het exclusief afnamebeding tot gevolg heeft dat de concurrentie op de relevante markt merkbaar wordt beperkt. Dit is dus een duidelijk zwaardere ‘toets’ waarbij (ook) een economische analyse van de markt c.q. de gevolgen van het exclusief afnamebeding voor de concurrentie op de markt nodig is.
Echter, uit recente rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat onder omstandigheden exclusieve afnamebedingen wel degelijk de strekking kunnen hebben om de mededinging te beperken, bijv. als blijkt dat de leverancier bepaalde investeringen niet heeft gedaan ten bate van de afnemer. In dat geval heeft de exclusieve afnameverplichting namelijk niet tot doel om een investering terug te verdienen, die investering was er immers niet. Ook kan een exclusief afnamebeding een strekkingsbeding zijn als de leverancier en distributeur (potentiële) concurrenten zijn op (een aanverwante/nauw verwante) markt. In dat laatste geval, is de ‘toets’ minder zwaar en is dus de kans op nietigheid groter. Bij een strekkingsbeding wordt er immers van uitgegaan dat er sprake is van strijdigheid met het kartelverbod (tenzij de leverancier en afnemer slechts over verwaarloosbare marktaandelen beschikken).

Last Updated On juni 25, 2019