WANNEER IS EEN VASTGOEDTRANSACTIE MARKTCONFORM?

Nieuwe Notion of State Aid

Met de Notion of State Aid (gepubliceerd door de Europese Commissie op 19 mei 2016) is de Mededeling grondtransacties per direct komen te vervallen. Maar de inhoudelijke bepalingen uit deze (en andere staatssteunmededelingen) zijn grotendeels verwerkt in de Notion of State Aid.

Als een vastgoedtransactie niet marktconform verloopt, is er sprake van staatssteun. Uit de Notion of State Aid volgt nu dat een vastgoedtransactie marktconform mag worden geacht bij:

    • pari passu transacties;
    • openbare en onvoorwaardelijke biedprocedures;
    • benchmarking;
    • een algemeen aanvaarde en op objectieve, verifieerbare en betrouwbare gegevens berustende waarderingsmethode, zoals (i) een berekening van de interne opbrengstvoet (IRR), (ii) een berekening van de netto contante waarde (NCW), of (iii) een voorafgaand aan de verkooponderhandelingen door een onafhankelijk taxateur opgemaakt taxatierapport.

ZIJN LOONKOSTENSUBSIDIES IN HET KADER VAN PARTICIPATIEWET STAATSSTEUN?

Per 1 januari 2015 is de Participatiewet van kracht. Deze wet voegt de Wet werk en bijstand, de Wet sociale werkvoorziening en de Wajong samen. De gemeenten zijn verantwoordelijk voor de uitvoering van de Participatiewet.

Als een gemeente op grond van van de Participatiewet loonkostensubsidies aan werkgevers wil verstrekken om deze te stimuleren mensen met een arbeidsbeperking in dienst te nemen, dan is dat in principe geen staatssteun. Toch zijn er situaties denkbaar waarin een loonkostensubsidie wel staatssteun oplevert. Maar ook dan zijn er vaak goede mogelijkheden de subsidie alsnog in overeenstemming met de Europese staatssteunregels te verstrekken.

Wat zijn loonkostensubsidies?

Een loonkostensubsidie is een tegemoetkoming voor werkgevers in de loonkosten van werkzoekende uitkeringsgerechtigden. Gemeenten kunnen loonkostensubsidies inzetten om werkgevers aan te moedigen mensen met een arbeidsbeperking werk te verschaffen. Zo kunnen gemeenten op basis van de Participatiewet een gedeelte van het loon van uitkeringsgerechtigde personen voor hun rekening nemen. Op deze wijze wordt het voor werkgevers aantrekkelijker mensen met een arbeidsbeperking in dienst te nemen.

Levert het verlenen van loonkostensubsidies staatssteun op?

Vervolgens rijst de vraag of loonkostensubsidies op basis van de Participatiewet staatssteun opleveren in de zin van artikel 107, lid 1, Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie. Uit dit artikel is een aantal voorwaarden af te leiden waar aan moet worden voldaan om een maatregel als staatssteun aan te kunnen merken. Deze voorwaarden zijn cumulatief. Dat wil zeggen dat een maatregel pas staatssteun oplevert als aan alle hieronder opgesomde voorwaarden is voldaan:

  1. de maatregel moet met staatsmiddelen ofwel overheidsmiddelen zijn bekostigd,
  2. hij moet ondernemingen een selectief economisch voordeel opleveren,
  3. het voordeel moet de mededinging vervalsen of dreigen te vervalsen, en
  4. de maatregel moet het handelsverkeer binnen de EU ongunstig kunnen beïnvloeden.

Met name ten aanzien van de tweede voorwaarde zijn de volgende conclusies relevant:

1.     Loonkostensubsidies zijn niet selectief
Loonkostensubsidies die op basis van de Participatiewet worden verstrekt, leveren geen begunstiging op voor bepaalde ondernemingen. De Participatiewet betreft namelijk een algemene maatregel op basis waarvan alle ondernemingen die in Nederland actief zijn in aanmerking kunnen komen voor loonkostensubsidies. Derhalve verleent de gemeente geenselectief voordeel – en dus geen staatssteun – door een werkgever een dergelijke loonkostensubsidie te verstrekken. Dit wordt anders indien gemeenten bij het verstrekken van loonkostensubsidies zelf selectieve criteria hanteren. Zo kunnen loonkostensubsidies, die alleen worden verstrekt aan werkgevers actief in bepaalde geografische locaties, wel staatssteun opleveren.

2.     Loonkostensubsidies leveren werkgevers geen economisch voordeel op
Ten tweede leveren loonkostensubsidies geen staatssteun op indien deze de betrokken werkgever geen economischvoordeel verschaffen. Dit is het geval als de loonkostensubsidie slechts bedoeld is om capaciteit, die de in dienst genomen werknemer niet kan leveren, te compenseren. Als de gemeente bijvoorbeeld 30% van het loon betaalt van een werknemer, die door een arbeidshandicap 30% langzamer werkt dan een reguliere werknemer, is er geen sprake van een bevoordeling voor de betrokken werkgever. Echter, indien een loonkostensubsidie een werkgever in staat stelt bovenop zijn werknemersbestand extra werknemers – ook al leveren die maar een beperkte capaciteit – aan te nemen, dan levert die loonkostensubsidie de betrokken onderneming wel een voordeel op en kan er sprake zijn van staatssteun.

Toch sprake van staatssteun? Maak dan de loonkostensubsidie alsnog ‘staatssteunproof’

Zoals hierboven is uiteengezet, kan het zo zijn dat een loonkostensubsidie staatssteun oplevert. Bijvoorbeeld omdat deze toch een selectief voordeel oplevert voor de betrokken werkgever. De Europese Commissie heeft echter duidelijk gemaakt dat het ‘bevorderen van … de aanwerving of tewerkstelling van kwetsbare werknemers en werknemers met een handicap … een kerndoelstelling van het economische en sociale beleid’ van de EU is. Hierdoor kunnen loonkostensubsidies die staatssteun opleveren vaak alsnog ‘staatssteunproof’ worden verleend. Dit zou kunnen op basis van de de-minimisverordening, de Algemene Groepsvrijstellingsverordening of de regels betreffende DAEB.

De de-minimisverordening

De Europese Commissie heeft voor relatief kleine steunbedragen de zogenaamde de-minimisverordeningopgesteld. Op basis van deze verordening kunnen gemeenten over een periode van drie jaar tot € 200,000,- aan steun aan één onderneming verstrekken zonder dat er sprake is van staatssteun. De Europese Commissie acht dat zulke bedragen te klein zijn om het interstatelijk handelsverkeer ongunstig te beïnvloeden. Indien het voordeel dat een werkgever dankzij een loonkostensubsidie verkrijgt het de-minimisplafond niet overschrijdt, is er dus geen sprake van staatssteun.

Loonkostensubsidies op basis van de Algemene Groepsvrijstellingsverordening

De Algemene Groepsvrijstellingsverordening (AGVV) maakt het mogelijk om loonkostensubsidies ten behoeve van de indienstneming van werknemers met een handicap of zogeheten kwetsbare werknemers te verlenen. Indien de steun aan de voorwaarden die in de AGVV zijn uiteengezet voldoet, hoeft de steun niet bij de Europese Commissie te worden aangemeld. Decentrale overheden dienen de Europese Commissie slechts van de steun op de hoogte te stellen door middel van een kennisgeving.

Loonkostensubsidies als Dienst van Algemeen Economisch Belang

Uit de Commissie gids Diensten van Algemeen Economisch Belang (DAEB) uit 2013 volgt dat decentrale overheden diensten voor maatschappelijke integratie en arbeidsintegratie als DAEB kunnen definiëren. Compensatie hiervoor kan, indien deze voldoet aan alle voorwaarden uit het DAEB Vrijstellingsbesluit, staatssteunproof worden verleend aan een onderneming. Dergelijke steun is vrijgesteld van de verplichting tot voorafgaande aanmelding bij de Europese Commissie. Anders dan voor steun onder de AGVV geldt, hoeft steun die op basis van het DAEB Vrijstellingsbesluit wordt verleend ook niet te worden kennisgegeven aan de Europese Commissie. Gemeenten zouden loonkostensubsidies dus ook kunnen inrichten als compensatie voor de verrichting van een DAEB op het gebied van maatschappelijke integratie of arbeidsintegratie.

Bron: Europa Decentraal

WAT IS DE MINIMISSTEUN?

Met de term ‘de minimis’ werden in het Romeinse recht kleine, civielrechtelijke geschillen aangeduid. De minimissteun is staatssteun voor een relatief laag bedrag, die is vrijgesteld van melding bij de Europese Commissie.

Minimis regeling staatssteun

De minimis regeling voor staatssteun betreft vergoedingen gedaan aan één onderneming die een bepaald (relatief laag) bedrag niet overschrijden. Deze vorm van staatssteun wordt geacht niet aan alle criteria van art. 107 VWEU te voldoen en derhalve niet onder de aanmeldingsprocedure te vallen.
Het plafondbedrag voor de-minimissteun is  vastgesteld op € 200.000 te ontvangen per onderneming per 3 belastingjaren. Steunmaatregelen die hieraan voldoen worden geacht het handelsverkeer niet ongunstig te beïnvloeden.

Voor goederenvervoer over de weg is het maximale steunbedrag vastgesteld op € 100.000 per 3 belastingjaren. Deze de minimissteun mag niet gebruikt worden voor de aanschaf van vervoermiddelen voor goederenvervoer over de weg, omdat hiermee vaak in concurrentie zal worden getreden met ondernemers in andere lidstaten. Voor landbouw, visserij en aquacultuur gelden afwijkende bedragen.

WAT IS EEN (GROEPS)VRIJSTELLING?

Voordat u steunmaatregelen neemt, heeft u toestemming nodig van de Europese Commissie. De Europese Commissie heeft een aantal categorieën  steunmaatregelen vrijgesteld van aanmelding, mits aan een aantal specifieke voorwaarden is voldaan. Dergelijke steunmaatregelen worden geacht te zijn goedgekeurd. Voorbeelden van dergelijke vrijstellingen zijn de De Minimis Vrijstelling en de nieuwe algemene groepsvrijstelling.

WAT BETEKENT DE NIEUWE ALGEMENE GROEPSVRIJSTELLINGSVERORDENING (AGVV)?

Nieuwe categorieën steun vrijgesteld van melding

Voor een steunmaatregel is toestemming van de Europese Commissie nodig. Om te voorkomen dat Brussel over iedere steunmaatregel apart moet beslissen, is een aantal categorieën van steunmaatregelen vrijgesteld van de aanmeldingsplicht (Algemene groepsvrijstellingsverordening). Per 1 juli 2014 zijn de mogelijkheden verder verruimd.

Nieuwe categorieën in de Algemene groepsvrijstellingsverordening (AGVV)

In artikel 1 van de nieuwe AGVV staan de categorieën waarop vrijstelling van toepassing is. In de nieuwe AGVV is een aantal categorieën gehandhaafd, maar wordt ook een aantal nieuwe categorieën geïntroduceerd:

  • Steunmaatregelen tot herstel van de schade veroorzaakt door bepaalde natuurrampen;
  • Sociale vervoersteun ten behoeve van bewoners van afgelegen gebieden;
  • Steun voor breedbandinfrastructuur;
  • Steun voor cultuur en instandhouding van het erfgoed;
  • Steun voor sportinfrastructuur en multifunctionele recreatieve infrastructuur;
  • Steun voor lokale infrastructuurvoorzieningen.

De rapportageverplichting achteraf blijft wel bestaan. De Europese Commissie gaat ook meer controleren achteraf.

Voorwaarden AGVV

Een steunmaatregel die valt onder een van de in artikel 1 genoemde categorieën leidt op zichzelf niet tot een vrijstelling van de plicht om de maatregel bij de Europese Commissie te melden. De steunmaatregel moet namelijk, om voor die vrijstelling in aanmerking te komen, ook voldoen aan de voorwaarden in de hoofdstukken 1 en 3 van de nieuwe AGVV.

Hoofdstuk 1 bevat een aantal algemene voorwaarden dat van toepassing is voor alle categorieën staatssteun genoemd in artikel 1 van de nieuwe AGVV. Zo worden in dit hoofdstuk onder andere financiële drempels genoemd die de verleende steun niet mag overschrijden (artikel 4).
Hoofdstuk 3 zet per categorie steun uiteen aan welke voorwaarden de onder een bepaalde categorie vallende staatssteunmaatregel dient te voldoen.

Lastenverlichting

De Europese Commissie verwacht dat in de toekomst driekwart van de huidige steunmaatregelen en tweederde van de totale steunbedragen die uitgekeerd worden door de lidstaten onder de nieuwe AGVV komen te vallen.