RECHTBANK ROTTERDAM SCHRAPT ACM BOETE VOOR NS VAN RUIM 40 MILJOEN

De boete van ruim 40 miljoen euro die de Autoriteit Consument en Markt aan de Nederlandse Spoorwegen en een aantal dochterondernemeingen oplegde wegens misbuik van een economische machtspositie bij de aanbesteding van het openbaar vervoer in Limburg in 2014, is door de rechtbank Rotterdam vernietigd.

Volgens de rechtbank heeft ACM niet overtuigend bewezen dat NS een economische machtspositie heeft. ACM heeft geen onderzoek gedaan naar de voorwaarden waaronder de Staat de concessie voor het Hoofdrailnet aan NS heeft verleend. Dat onderzoek had ACM naar het oordeel van de rechtbank wel moeten doen om vast te kunnen stellen of NS een economische machtspositie op het Hoofdrailnet heeft.

De rechtbank is verder van oordeel dat het gedrag van NS in de Limburgse OV-aanbesteding niet onder de reikwijdte van het verbod op misbruik van een economische machtspositie valt, omdat het verband tussen de Limburgse OV-concessie en de positie van NS op het Hoofdrailnet na 2024 te onzeker is.

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven.

Bron: De Rechtspraak

BESTUURLIJKE BOETE: MAG HET BESTUURSORGAAN DIRECT INVORDEREN?

Bestuurlijke boetes moeten in de regel direct worden betaald, ook als deze betwist worden in bezwaar of in (hoger) beroep. De voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam heeft een belangrijke uitspraak gedaan op 21 december 2016, waarmee dit uitgangspunt wordt genuanceerd.

Aanleiding voor de procedure was een onderzoek door de Arbeidsinspectie, waarna een onderneming werd geconfronteerd met een bestuurlijke boete. De onderneming stelde hiertegen bezwaar in en verzocht vergeefs om uitstel van betaling. Nadat het bestuursorgaan liet weten over te zullen gaan tot invordering van de boete, verzocht de onderneming de rechtbank een voorlopige voorziening te treffen in die zin dat uitstel van betaling werd verleend dan wel dat geen invorderingsmaatregelen genomen zouden mogen worden totdat over de rechtmatigheid van de boete in bezwaar en beroep zou zijn beslist.

De voorzieningenrechter herhaalt het uitgangspunt dat bezwaar geen schorsende werking heeft, maar overweegt vervolgens, onder verwijzing naar een advies van de Raad van State van 13 juli 2015: ‘dat er op voorhand geen rechtvaardiging lijkt te bestaan voor het verschil tussen het strafrecht en het bestuursrecht en het ontbreken van schorsende werking van rechtsmiddelen in het bestuursrecht in het licht van de ingrijpende gewijzigde context waarin de bestuurlijke boete functioneert.’

De voorzieningenrechter oordeelt dat in de situatie waarin nog niet vast staat of de bestuurlijke sanctie ook gelet op de evenredigheid, terecht is opgelegd, terwijl invordering van de boete voor de onderneming tot onomkeerbare gevolgen voor de onderneming zou kunnen leiden, er aanleiding bestaat voor schorsing van het boetebesluit. Om tot invordering van de boete over te kunnen gaan, dient het bestuursorgaan volgens de voorzieningenrechter een ‘zwaarwegend belang’ te hebben en had onderbouwd moeten worden dat van het bestuursorgaan niet kon worden gevergd de bezwaarprocedure af te wachten.

Deze uitspraak is van belang omdat hieruit blijkt dat de bestuursrechter de waarborgen van het strafrecht, dat voorziet in schorsende werking wanneer tegen een sanctie rechtsmiddelen worden ingesteld, betrekt bij de beoordeling van de bestuurlijke boete.  Bestuursorganen zullen een gemotiveerd verzoek tot uitstel niet bij voorbaat kunnen afwijzen, maar moeten aantonen dat er een zwaarwegend belang is bij de invordering en onderbouwen waarom de uitkomst van de bezwaar- en/of beroepsprocedures niet kan worden afgewacht.

BEN IK VERPLICHT EEN DOOR DE ACM OPGELEGDE BOETE METEEN TE BETALEN?

Er geldt een specifieke regeling die voorziet in beperkt schorsende werking van het instellen van bezwaar.

In artikel 12p Instellingswet is de volgende regeling opgenomen.

  1. De werking van een beschikking van de Autoriteit Consument en Markt tot oplegging van een bestuurlijke boete wordt opgeschort totdat de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift tegen die beschikking, is verstreken.
  2. Indien binnen de in het eerste lid bedoelde termijn een bezwaarschrift is ingediend, wordt, in afwijking van het eerste lid, de werking van de beschikking opgeschort met 24 weken gerekend met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze aan de overtreder is bekendgemaakt of, indien dat eerder is, tot de dag na die waarop de beslissing op bezwaar op de voorgeschreven wijze aan de overtreder is bekendgemaakt.

De ACM heeft recent ook een formulier gemaakt voor verzoeken tot gespreide betaling.

WANNEER KUNT U EEN SCHADEVERGOEDINGSPROCEDURE INSTELLEN IN EEN KARTELZAAK?

Grondslagen voor schadevorderingen en bewijsvoering

Schending van het Nederlandse- en EU-kartelverbod is in beginsel een onrechtmatige daad. Als u vindt dat uw onderneming door zo’n overtreding benadeeld is, dan zult u eerst uw vordering
moeten bewijzen. Dit bewijs betreft zowel de schending van het kartelverbod als de hierdoor ontstane schade.

Beschikking

Indien de Europese Commissie of de ACM een inbreuk op het mededingingsrecht heeft vastgesteld in een beschikking, betekent dit in de praktijk doorgaans dat daarmee de onrechtmatigheid is aangegeven. De nationale rechter dient ook uit te gaan van de geldigheid
van de beschikking, ook indien daartegen beroep is ingesteld. Dat kan anders zijn indien in redelijkheid twijfel kan bestaan over de juistheid van de beschikking (hetgeen bijv. aanleiding zou kunnen geven tot aanhouding van de zaak) , maar dat zal in de praktijk niet snel worden aangenomen.

Bewijs

Dit neemt niet weg dat benadeelden in hun schadevergoedingsprocedures nog steeds op een
aantal onderdelen bewijs zullen moeten leveren. Denk aan het bewijs van ontstane schade en aan de causaliteit tussen het onrechtmatige gedrag van de karteldeelnemers en de door gedupeerden geleden schade.

In veel gevallen zal het essentieel of in ieder geval zeer welkom zijn voor gedupeerden, om daarbij te beschikken over bepaalde marktinformatie betreffende de bedrijfsvoering van de karteldeelnemer(s). De vraag is daarbij welke mogelijkheden gedupeerden hebben om dergelijk bewijs te vergaren.

Exhibitieplicht

De exhibitieplicht biedt belanghebbenden de mogelijkheid tot kennisneming van een bewijsmiddel dat aan hen in beginsel wel bekend is, maar niet in hun bezit. De gewenste documenten dienen hierbij wel precies aangeduid te worden.

Uit jurisprudentie volgt dat een rechtbank een praktische benadering hanteert ten opzichte van informatieverzoeken in schadevergoedingszaken voor kartelschade.

Toegang tot bewijs mededingingsautoriteiten

Mededingingsautoriteiten verzamelen informatie uit hoofde van de hun toekomende bevoegdheden. Zeker in het geval van clementie, ontvangt een mededingingsautoriteit veel informatie over een kartelzaak.

De nieuwe Richtlijn schadevergoedingsacties is vrij resoluut met betrekking tot documenten
die mededingingsautoriteiten hebben verkregen in een clementie-procedure: zij mogen niet verstrekt worden aan gedupeerden.

(Nog) geen beschikking?

Uiteraard blijft het mogelijk een schadevergoedingsactie te starten zonder dat een mededingingsautoriteit (reeds) heeft opgetreden, maar het zal dan veel moeilijker zijn als eisende partij je gelijk te halen.

De informatie die nodig is om een inbreuk aan te tonen, bevindt zich in de administratie van de betrokken bedrijven. Op deze informatie is niet zomaar door middel van een simpel beroep op artikel 843a Rv (de exhibitieplicht) beslag te leggen. Het vinden van mogelijk belastend
materiaal vergt het doorzoeken van grote hoeveelheden data. Om zeker te zijn dat men geen belastend materiaal mist, dient eigenlijk de gehele digitale en administratieve administratie van een bedrijf doorzocht te worden. Dit is geen operatie die mogelijk is op basis van genoemd artikel.

NB De implementatietermijn van de Richtlijn 2014/104/EU loopt af in december van dit jaar. In bovenstaand artikel is wel rekening gehouden met de inhoud van de Richtlijn maar niet met de precieze wijze waarop lidstaten (in casu NL) deze in wetgeving hebben omgezet.

PRIVATE ENFORCEMENT OF COMPETITION LAW IN THE NETHERLANDS?

The Netherlands’ legal landscape regarding the private enforcement of competition law has evolved over recent years. Increasing numbers of civil liability cases on the basis of (alleged) competition law infringements have been brought before the Dutch civil courts.

The Dutch legal framework for cartel damages claims consists of the general rules regarding liability for wrongful conduct (tort). Under the implementation of EU Directive 2014/104/EU on antitrust damages actions, the Dutch government is implementing a number of amendments to the Dutch Code on Civil Procedure and the Civil Code with the aim of further developing and tailoring Dutch civil law to these private damages claims. The implementation deadline of the Directive is set for December 2016.